Logo FVEN

REGISTER VAREND ERFGOED NEDERLAND

De Federatie Varend Erfgoed Nederland beheert het Register Varend Erfgoed Nederland.
Geschat wordt dat er zesduizend schepen tot dit erfgoed behoren.
Op dit moment zijn er drieduizend vaartuigen ingeschreven in het register.
U kunt op deze site zoeken naar ingeschreven vaartuigen.






Gevonden vaartuig:

VD172 - De Jonge Hendrik

identificatie

Dit vaartuig heeft een geldige pas.
naam VD172 - De Jonge Hendrik
RVEN nr 341
visserijnummer VD172
zeilnummer
te boek gesteld 14217 BA 2000  
type Volendammer kwak  
categorie visserijschip  
eenheidsklasse  

vaartuig

 
lengte 15,5  
breedte 5  
diepgang 1,2  
kruiphoogte 1,9  
tonnage  
materiaal romp hout  
materiaal romp (spec.) eiken  
bouwwijze romp karveel  
seriematige bouw  
voortstuwing (oorspr.) zeil  
masthoogte 16  
soort tuig gaffeltuig  
materiaal zeil katoen  
oppervlakte zeil 120  
motortype diesel  
motorvermogen 100 pk  
motorbouwjaar ?  
bouwjaar vaartuig 1904  
bouwperiode 1900-1910  

werfgegevens

 
werf Kater - Monnickendam  
werfnaam  
plaats. provincie werf MonnickendamNH  
werf bijzonderheden In Monnickendam waren twee werven, beide sinds het eind van de 18e eeuw in het bezit van de familie Kater. De ene helling "Aan de haven" ligt nog steeds aan de havenmond, de andere werf "Aan 't Prooijen" lag oostelijk van het gat. Rond 1800 werd al voornamelijk voor de visserij gebouwd. Vrijwel de hele kwakkenvloot van Volendam werd hier gebouwd en ook veel Markers lieten hier hun schip bouwen. Cornelis Claasz Kater werd in 1795 gestraft voor zijn prinsgezinde houding waarna de werf Aan 't Prooijen werd onteigend. In 1820 kwam de werf opnieuw in bezit van de familie Kater. Klaas Cornelis Kater was de laatste van het geslacht Kater op de werf Aan 't Prooijen. Rond 1890 nam zijn schoonzoon Cornelis de Haas de werf over. Na zijn dood in 1913 zet zijn zoon Klaas Cornelisz de Haas het bedrijf voort tot 1922. De werf wordt verkocht aan Willem van Goor uit Kampen. Op de werf Aan de Haven was Pieter Jansz Kater (Pietrbaas) werfbaas tot 1903. Dirk Kater neemt in 1904 de werf over. In 1919 verkoopt hj de werf aan Albert Hakvoort en zijn drie broers uit Urk. Vanaf 1920 is de werf eigendom van Albert en Klaas Hakvoort. In 1924 koopt Albert zijn broer uit.  

historie vaartuig

 
vorige namen  
historie vaartuig Een van de laatste vier Volendammer Kwakken. 1904 - 1963; DOOR Jaap Mol (zie ook het verhalenboek van de Botter compagnie). "In 1904 praatte Kees de Haas, één van de hellingbazen uit Monnickendam, Klaas Kwakman (Klasie van de Burgemeester) een nieuwe botter aan. Het zou een vaartuig worden dat zijn weerga niet zou hebben. De botter werd vanaf de achtersteven een half voet hoger gebouwd, zodat je in het vooronder rechtop zou kunnen staan. Hij zou niet dieper komen te liggen dan de normale kwak en door de hoge kop minder buiswater overnemen en zeewaardiger zijn. Klasie tuinde er vierkant in en in 1904 kwam de nieuwe botter in de haven van Voldendam aan. De VD198 werd verkocht aan C. de Boer. Een aantal dagen daarvoor was de vader van Klasie, Hendrik Kwakman, die om zijn trots de bijnaam ‘Burgemeester’ had gekregen, in Edam om de nieuwe botter van zijn zoon onder de naam ‘Jonge Hendrik’ in te laten schrijven. Daar vernam hij dat het de VD372 zou gaan worden (met deze botter had Volendam toen 177 grote botters, ook wel kwakken genoemd en 22 kleine botters). Waarom de vader van Klasie de botter van zijn zoon onder zijn eigen naam liet inschrijven is nooit meer te achterhalen. Misschien is dat wel zijn trots geweest tegenover die ambtenaar van Edam, om ondanks zijn hoge leeftijd toch nog een nieuwe botter te beginnen. Maar goed, daar lag dan de VD372, nieuw voor de wal, op het oog een prachtig vaartuig en, zoals dat altijd ging met een nieuwe botter, was er belangstelling genoeg. Jan Mol, de havenmeester van Volendam, een oude rot in het vak, zag het echter niet zo zitten met die VD372. Toen ze met zijn tweeën van bakboord naar stuurboord liepen ging de botter flink heen en weer. Jan Mol kreeg gelijk, want het was een onding, deze botter. Zeven jaar later liet Klasie van de ‘Burgemeester’ weer een nieuwe botter maken, maar nu bij Kok in Huizen. De VD372 (later werd het nummer veranderd in VD172) werd in het najaar van 1911 verkocht aan de gebroeders Kees en Japie Smit. In 1915 kreeg Kees Smit (Niekie) zelf een botter en werd Japie Smit alleen eigenaar van de VD172. Hij was een van de bekwaamste vissers die Volendam ooit heeft gehad. Hij behoorde dan ook altijd bij een van de tien hoogste besommers van de vloot. Hij ging zijn eigen gang op zee en keek ooit naar een ander. Japie Smit had als knecht Sijmen Tol (Knoest) aan boord. Deze kocht in 1921 zelf een botter, de VD99. Nu werd Evert Karregat knecht en zowel met Sijmen Tol als met Evert Karregat had Japie Smit het geweldig getroffen. In de week van 15 februari 1924 was de dooi ingevallen. Op zaterdag werd de haven opengebroken, zodat de vloot maandag zou kunnen uitvaren. De schippers voeren uit, maar ’s middags begon het weer te sneeuwen en te vriezen. De botters moesten terug; de vaartuigen werden spiegelglad. De haven dreef vol met drijfijs. Een aantal botters, waaronder de VD172, had buiten de haven liggen wachten en toen er ruimte was, gingen ze achter elkaar de haven in. Doordat de VD172 teveel afgeremd werd door het ijs, voer de VD70 hem achterop. Evert Karregat stond op de plecht en keek vooruit om de zwakste plekken aan te wijzen en voelde dat de botter werd aangevaren. Verschrikt keek hij achterom en zag nog juist de hand van zijn schipper boven het ijs uitkomen. Evert liet direct de zeilen zakken en gooide het anker buiten boord. Hoe het gegaan is heeft niemand gezien, maar aangenomen wordt, dat Japie Smit op het spiegelgladde achterhuisje van de botter is geklommen om de VD70 met zijn handen af te houden. Op maandag 25 februari was de VD712 zonder schipper aan boord in de haven gekomen. Evert Karregat kocht de botter foor f. 3.000,- van Jannetje Smit. Het zat Evert Karregat mee, want 1926 en 1927 waren goede ansjovisjaren. In die twee jaar viste hij de botter boven water. Hij was een van de beste schippers die Volendam ooit heeft gehad. Tot 1960 viste Evert met de VD172. In dat jaar werd de kwak verkocht aan Sijmen Tol (Knoest) die zijn eigen botter, de VD99, had weggedaan. Sijmen gaf hem het nummer van zijn oude botter. Twee jaar later werd Sijmen 65 en stapte aan wal.” Volgens gepensioneerde visserslui (anno 2001) is de VD172 weliswaar in 1904 te water gegaan, maar zou er tot 1911 niet mee zijn gevist. De reden hiervoor zou zijn dat de koper niet aan zijn verplichtingen kon voldoen. Derhalve bleef de werf eigenaar, en deze hield het schip ‘aan de ketting’ totdat er een koper was met genoeg centen. Dit verhaal is gebaseerd op de overlevering en lijkt moeilijk te verifiëren. Het zou welk verklaren waarom er pas vanaf 1911 gegevens in het visserijregister staan. Daarentegen is het merkwaardig dat Jaap Mol er met geen woord over rept, terwijl Jaap Mol doorgaans niet vies was van wat smeuïge details. Misschien dat de waarheid omtrent dit gerucht ooit nog eens boven tafel komt. Tijdens de oorlogsjaren '40-'45 is het schip gebruikt door onderduikers, waartoe in het vooronder een geheime schuilplaats was gemaakt. Ook heeft het schip in de hongerwinter deelgenomen aan het aardappelvaren van Friesland naar Amsterdam (waarvan de naam van de botterwedstrijd 'Pieperrace' afstamt). In 1960 kocht Sijmen Tol (van de Knoest) de botter en gaf het vaartuig het nummer van zijn vroegere botter, de VD99. De kwak kwam in 1965 in particuliere handen. Op de schepenlijst van de Vereniging Botterbehoud kwam deze botter te staan onder nummer VD99. In 1975 stond de VD99 op naam van C.A. Wijnschenk Dom te Rotterdam, in 1976 op naam van H. Bootsma te Emmeloord en in 1979 op naam van H. Fruytier te Amsterdam. Deze begon met de restauratie van het vaartuig; het botternummer VD172 werd in ere hersteld. In 1981 stond te lezen: "VD172 Volendammer Kwak (niet meer in aanbouw)." 1979 - 1988 Uit contacten met de familie van de laatste eigenaar, Hans Fruytier, is het volgende bekend. De advocatenfamilie Fruytier had altijd al een sterke band met schepen, o.a. als eigenaar van een klassiek scherp jacht. Alleen zoon Hans leek het varen en klussen aan schepen totaal niet te boeien. Tot ieders stomme verbazing kwam hij in 1979 echter met het nieuws dat hij een mooi schip had gekocht, van ruim 15 meter lang nog wel. Er moest weliswaar nog wat aan worden gerepareerd, maar dat zou allemaal goed komen. Groot was de schrik toen Hans' ouders eens gingen kijken naar de trots hun zoon: een complete afbraak. Aangezien Hans bekend stond om zijn twee linkerhanden, zou dit project wel spoedig stranden, dachten ze. De VD172 onder zeil in de jaren tachtig, in het bezit van Hans Fruytier. Hans legde echter zijn volledige ziel en zaligheid in het schip. Na een paar maanden had hij bijvoorbeeld al een nieuwe mast gemaakt, geheel zelfstandig. Deze mast heeft lange tijd als herkenningspunt op de tijdelijke werf voor de restauratie gestaan. In het schip zijn we diverse restauraties van wisselende kwaliteit tegengekomen. Sommige stukken vernieuwd hout kunnen we met een bezem wegvegen, andere onderdelen waren nog in goede staat, maar hebben niet de juiste vorm of afmeting. Een voortdurend probleem van Hans Fruytier was geldgebrek. Het was zijn bedoeling om met betalende gasten te gaan varen, maar van betalen kwam het meestal niet. Hierdoor kon Hans niet voldoende onderhoud aan het schip plegen, waardoor de kwak na de restauraties in de beginjaren langzamerhand weer achteruit ging. Het gevolg hiervan was dat het schip ernstig lekte, zowel door de scheepshuid als door de plecht. Tijdens het varen was het dan ook vaak letterlijk 'pompen of verzuipen'. Dit weerhield de schipper er overigens niet van om lange tochten te maken, onder andere via het wad naar Denemarken. Ook op Sail Amsterdam 1985 was de VD172 present, waarvan nog mooie opnames bewaard zijn gebleven. De vrienden van Hans bewaren nog zeer dierbare herinneringen aan deze avontuurlijke tijd. Zij kwamen nog weleens kijken bij de restauratie en vinden het een mooi initiatief, hoewel van het oude schip vrijwel niets overblijft. Na 1986 ging het snel bergafwaarts, zowel met het schip als met haar eigenaar. Tijdens een hellingbeurt in ca. 1987 ging het mis. Over de oorzaak valt te twisten. Volgens de een is er een fout gemaakt tijdens het hellingen, volgens de ander was het schip, en met name het vlak, te slecht om te worden gehellingd. In ieder geval zakte het schip over de hellingkarren heen waardoor het schip is 'geknakt' en de kielbalk is gebroken. Na enige tijd is het schip onder water voorzien van een aantal dekzeilen en te water gelaten. Dit is een bekende methode om lekke schepen tijdelijk drijvende te houden. Er was een sleepboot geregeld en die pikte hem aan het einde van de steigers op. Na enige meters werden de legendarische woorden "Full speed ahead!" geroepen waarna de sleepbootkapitein dit dan ook deed. De zeilen werden eronder vandaan getrokken en het schip zonk. Vervolgens is het schip door een drijvende kraan geborgen en op een ponton gezet. Voor ooggetuigen was dit een memorabele gebeurtenis. Geld voor herstel was er toen niet, temeer omdat Hans ernstig ziek werd. Hij had niet meer de energie om zich voor het schip in zetten, hoewel hem dit zeer aan het hart ging. 1988 - 1993 Na het treurige overlijden van Hans Fruytier is het schip, mede op initiatief van de nabestaanden, op een dekschuit in de haven van het Zuiderzee museum in Enkhuizen terecht gekomen. Door het museum werd het plan opgevat om in samenwerking met de vereniging botterbehoud het schip te restaureren en opnieuw in de vaart te brengen. Een fragment uit het restauratie voorstel: "De Volendammer kwak VD172 (bouwjaar 1904) is qua schip vrijwel uniek. Gezien de cultuur-historische waarde van het schip zal alleen een volledige restauratie kunnen bijdragen tot het behoud van een dergelijk schip in de toekomst" Door interne problemen bij het museum en geldtekort, is deze restauratie nooit van de grond gekomen. In Enkhuizen schijnt nog een tijdje iemand het wrak als onderdak te hebben gebruikt, maar in wezen was het wachten op de slopershamer: in de jaren 1989-1993 vrijwel niet naar omgekeken. Totdat in 1993 twee Volendammers, Piet Stuyt en Thomas van der Woude, bij het museum aanklopten met de vraag of ze het schip mee mochten nemen om het op te restaureren. Omdat dit de enige en laatste kans was om het schip te behouden, reageerden men enthousiast. Ook van de rechtmatige eigenaar, de familie Fruytier, kregen we alle medewerking. Voor het symbolische bedrag van 1 gulden werd het vaartuig aan Stichting d'Garnkwak overgedragen. Het schip op de dekschuit bij het Zuiderzeemuseum in 1993. In juni 1993 is de dekschuit met het schip erop naar Volendam gesleept. Dit was een risicovolle onderneming, omdat ook de dekschuit inmiddels in slechte staat verkeerde (lek, verroest en gammel). Maar goed, op de jaarlijkse culturele evenement 'Volendammerdag' lag het schip in de haven te pronken. Op het plan voor de restauratie werd door de plaatselijke bevolking over het algemeen met veel scepsis en ongeloof gereageerd, met name door de mensen die nog met de schepen hebben gevaren. Nu heeft Volendam en zijn bevolking wat betreft het behoud van de eens zo trotse vissersvloot geen goede reputatie. Tot begin jaren zeventig werd totaal geen waarde gehecht aan het restant van de kwakkenvloot. De schepen werden gesloopt, verbrand, afgezonken, of in het beste geval verkocht aan een buitenstaander. In 1973 zag de vereniging 'Oud Volendam' in dat het toch wel erg jammer zou zijn als er geen enkel exemplaar van het voor Volendam essentiele scheepstype over zou blijven. De in redelijke staat verkerende VD41 'Papouska', bouwjaar 1917 te Huizen, werd aangekocht en later (in 1975) doorverkocht aan de gemeente. Het zou een trots monument worden van de Volendammer visserij. Van alle plannen kwak uiteindelijk niets terecht en in 1979 kwam het schip in Groningen aan een eerloos einde. Winter 1993/1994, de kwak wordt op de werf gezet. Gezien deze voorgeschiedenis, en de zeer slechte staat van de VD172, kunnen wij achteraf de scepsis volledig begrijpen. Gelukkig was er ook steun voor onze plannen. De gemeente Edam-Volendam stelde een terrein beschikbaar voor de restauratiewerf op het Slobbeland en van een aantal lokale bedrijven kregen we veel steun in natura, zoals het op de wal hijsen van het schip (december 1993), de eerste gereedschappen en andere werfinrichting. De donateursactie van najaar 1993 bracht het eerste geld in het laatje voor de algehele restauratie van de 'Garnkwak'.  
oorspronkelijk vaargebied Zuiderzee  
oorspronkelijk gebruik visserij  
funktie wijziging(en)  
oorspronkelijk uiterlijk  
historie interieur nee  
jaar uitgebruikname  
huidig gebruik pleziervaart  

aangesloten

 
behoudsorganisatie (BO) VBB  
inschrijvings nr. BO  
link naar site vaartuig BO  

meer informatie

 
link naar site vaartuig http://volendammerbotters.nl/schepen/vd172  
link naar Wikipedia  
link naar Wikimedia Commons  

qr code